De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Bij uitstel voor het doen van aangifte wordt deze termijn verlengd met het verleende uitstel. De inspecteur stelt dat hij een navorderingsaanslag voor 2011 tijdig heeft opgelegd, vanwege dertien maanden uitstel via de Becon-regeling. De inspecteur kan echter geen stukken tonen die dit uitstel onderbouwen. Een collega bevestigt bovendien dat het systeem geen Becon-uitstel voor 2011 registreert. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar uitstel is verleend. De navorderingsaanslag voor 2011 is daarom buiten de navorderingstermijn van vijf jaar opgelegd en wordt vernietigd.
Een man exploiteert in maatschapsverband een motortankschip. De man is de kapitein en de andere maat verzorgt de administratie. Het schip vervoert plantaardige oliën, waarbij 'slops' ontstaan met een waardevolle oliecomponent. In 2011 start een strafrechtelijk onderzoek, 'Flip' genaamd, naar de verduistering van plantaardige olie door schippers, aangeboden als slops aan een vethandel. De man is tot zijn overlijden verdachte in dit onderzoek.
De Belastingdienst onderzoekt de administratie van de vethandel en stelt vast dat de vethandel inkoopfacturen op naam van het schip opmaakt voor contante betalingen aan de schippers voor geleverde slops. De jaarrekeningen van de maatschap vermelden geen opbrengsten uit slops. De inspecteur stelt dat de man de contante betalingen niet heeft opgenomen in zijn aangiften. De man reageert dat hij geen administratie heeft, omdat de andere maat die voerde. De maat verklaart dat de man buiten het zicht van de maatschap om ontvangsten had en dat er geen inkomsten uit slops op de bankrekening van de maatschap zijn ontvangen.
De erven van de man stellen dat hij de contante betalingen nooit heeft ontvangen en dat de administratie van de vethandel geen overtuigend bewijs levert. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de man de contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van de vethandel overgelegd, waaronder inkoopfacturen, begeleidingsbrieven en weegbrugstempels, die met elkaar overeenkomen en de beschreven werkwijze bevestigen. Ook kalenders en kladkasboeken van de vethandel ondersteunen de facturenstroom. De rechtbank acht het verder van belang dat de maatschap geen ontvangsten voor slops heeft verantwoord in de jaarrekeningen en dat de partner die de administratie voerde dit heeft bevestigd. De stellingen van de erven zijn niet onderbouwd met bewijs. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd en niet te hoog.
De bevoegdheid van de inspecteur om rechtstreeks informatie op te vragen is niet territoriaal begrensd, zo bevestigt de Hoge Raad. Ook brengt de Tax Information Exchange Agreement (TIEA) met Jersey niet mee dat de inspecteur eerst informatie bij de autoriteiten van Jersey moet opvragen. Het gebruik van de TIEA wordt gezien als een aanvullende mogelijkheid, maar is niet verplicht als alternatief of vervanging voor het rechtstreeks benaderen van personen. Dit is alleen anders als het handelen van de inspecteur in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Tot deze conclusie komt de Hoge Raad in een zaak van een vrouw en haar gezin, die in 2013 van Nederland naar Jersey zijn verhuisd. De Belastingdienst vermoedt dat zij over eerdere belastingjaren mogelijk onvolledige informatie hebben verstrekt. Als de vrouw niet volledig voldoet aan een informatieverzoek, legt de inspecteur informatiebeschikkingen op. Later vraagt de inspecteur via de TIEA met Jersey aanvullende informatie op over de vrouw, haar partner en hun gezamenlijke vennootschap. Dit leidt tot navorderingsaanslagen. De vrouw stelt dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met de TIEA en ten onrechte rechtstreeks informatie bij haar heeft opgevraagd. Zowel het gerechtshof als de Hoge Raad oordeelt dat dit niet het geval is. De inspecteur heeft rechtmatig gehandeld. De informatiebeschikkingen blijven in stand.
Een vrouw overlijdt in 2020. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij hij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 in aanmerking neemt. De erven van de vrouw stellen dat de vrouw geen aanmerkelijk belang had. Haar man is immers enig aandeelhouder van de holding-bv. De vrouw heeft haar enige aandeel in de holding op de dag van de oprichting overgedragen aan haar man. De wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen brengt daar volgens de erven geen verandering in.
De rechtbank oordeelt dat de aandelen in de holding op het moment van het overlijden van de vrouw in de huwelijksgemeenschap vallen. Hierdoor heeft de vrouw een aanmerkelijk belang in de holding. De overgang onder algemene titel bij overlijden wordt als een fictieve vervreemding aangemerkt. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt € 241.893.
De erven stellen verder nog dat de doorschuiffaciliteit van toepassing is. De onderneming wordt door de man voortgezet. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Omdat de holding bv en haar dochteronderneming sinds 2015 geen activiteiten verrichten en geen omzet behalen, is er geen sprake van een materiële onderneming. Ook van een medegerechtigdheid is geen sprake. De doorschuiffaciliteit kan daarom niet worden toegepast.
Een dga stelt dat hij vanwege hartproblemen geen werkzaamheden voor zijn bv heeft verricht. Daarom zou de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing zijn. Het hof denkt daar anders over. Uit brieven en e-mails blijkt dat de dga in het jaar in kwestie namens de bv bezwaarschriften indiende, verzoeken deed en correspondeerde met de Belastingdienst. Die administratieve werkzaamheden zijn voldoende om gebruikelijk loon in aanmerking te nemen.
De echtgenote van de dga runt een schoonheidssalon. Na haar persoonlijke faillissement in 2016 richt de dga twee vennootschappen op om de salon met behoud van personeel voort te zetten. De echtgenote mag van de curator geen bestuurder worden, dus neemt de dga die rol op zich. Volgens de echtgenote heeft hij uitsluitend een adviserende en coachende rol en verricht hij geen daadwerkelijke arbeid. In januari 2019 wordt de dga opgenomen in het ziekenhuis met hartproblemen en een longontsteking. Zijn huisarts verklaart dat het boezemfibrilleren wordt uitgelokt door stress en dat de dga zijn leefstijl moet aanpassen.
De dga doet aangifte inkomstenbelasting 2019 naar een negatief inkomen van € 2.544. De inspecteur corrigeert de aangifte met een gebruikelijk loon van € 26.470, gelijk aan het loon van de meestverdienende werknemer: de echtgenote. Na bezwaar wordt het belastbaar inkomen vastgesteld op € 23.220. De dga gaat in beroep en stelt dat hij vanwege zijn gezondheid geen werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden die hij wel deed, waren volgens hem puur arbeidstherapeutisch.
Uit het dossier blijkt dat de dga in 2019 als contactpersoon stond vermeld in de maandelijkse aangiften loonheffing. In maart 2019 verzocht hij namens de holding om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, stuurde hij informatie toe voor een hoorgesprek en bevestigde hij telefonisch gemaakte afspraken per e-mail. In april 2019 diende hij namens de bv bezwaar in tegen een aanslag vennootschapsbelasting en in november en december correspondeerde hij uitgebreid met de inspecteur over dat bezwaar.
De verklaringen van de huisarts en de echtgenote veranderen dit niet. Deze verklaringen gaan over de gezondheid van de dga, maar nemen niet weg dat hij de administratieve werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De dga heeft niet bewezen dat een lager gebruikelijk loon op zijn plaats is. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat was waarmee geen loon kan worden genoten. Het hoger beroep is ongegrond.
Opvallend is dat het hof niet toetst of de omvang van de werkzaamheden het gebruikelijk loon rechtvaardigt. De systematiek van de wet is hard: zodra vaststaat dat de dga enige arbeid verricht, geldt het standaardbedrag. Wil de dga een lager loon? Dan moet hij bewijzen dat dit gebruikelijk is voor vergelijkbare arbeid. Door alleen medische verklaringen over te leggen in plaats van concrete gegevens over wat vergelijkbaar administratief werk waard is, laat de dga die kans liggen. De uitkomst roept wel vragen op. Een handvol brieven en e-mails levert een belastbaar loon op van ruim € 26.000.
Een vrouw ondertekent samen met haar echtgenoot een inkeermelding voor buitenlands vermogen van ruim twee miljoen euro. Jaren later stelt zij dat haar echtgenoot haar tot eind 2017 onwetend heeft gehouden over dat vermogen. Zij zou daarom geen opzet hebben gehad bij het doen van onjuiste aangiften. De rechtbank acht die verklaring volstrekt ongeloofwaardig. De inkeermelding spreekt immers van 'wij' en 'ons' en is door haarzelf ondertekend.
De vrouw drijft samen met haar echtgenoot een onderneming in vof-verband. De echtgenoot heeft in het verleden bij de Belastingdienst gewerkt. Het echtpaar houdt een effectenrekening aan in Luxemburg met een saldo van rond de twee miljoen euro. In 2013 heffen zij de rekening op en boeken het saldo over naar Hongkong. De nieuwe rekening wordt op naam van hun zoon gezet, omdat hij regelmatig in Hongkong moet zijn voor zijn werk. Op 29 december 2017 sturen de vrouw, haar echtgenoot en hun zoon gezamenlijk een inkeermelding naar de Belastingdienst. In de e-mail schrijven zij dat zij willen inkeren 'van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3'. De drie ondertekenen de melding persoonlijk.
De inspecteur legt navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op over de jaren 2009 tot en met 2014. Op verzoek van het echtpaar worden deze uitsluitend aan de vrouw opgelegd. Bij de aanslagen over 2012 tot en met 2014 horen vergrijpboetes van 120% wegens opzet. Die boetes zijn al gematigd vanwege de vrijwillige inkeer. Zonder inkeer had 300% kunnen worden opgelegd. De vrouw maakt bezwaar. Zij stelt dat zij niet wist van het buitenlandse vermogen en dat haar echtgenoot haar bewust onwetend heeft gehouden. Daarom zou zij geen opzet hebben gehad.
De rechtbank maakt korte metten met dit verweer. Uit de inkeermelding blijkt dat de vrouw in elk geval in 2013 wist van de Luxemburgse rekening, omdat zij die rekening toen samen met haar echtgenoot heeft opgeheven. De aangiften over 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend ná die opheffing. De vrouw wist dus van het vermogen, maar vermeldde het niet. De inkeermelding spreekt consequent van 'wij' en 'ons' en is door haarzelf mede ondertekend. De andersluidende verklaring van de echtgenoot, dat zij pas eind 2017 zou zijn ingelicht, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.
Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als arbeidsinkomen als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd. De wet maakt nu dus onderscheid tussen zieke werknemers met een lopende dienstbetrekking en zieke personen zonder dienstbetrekking. Voor de laatste groep, waaronder mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte is beëindigd, telt de ZW-uitkering niet langer mee voor de arbeidskorting.
Een man trad in 1992 in dienst bij zijn inmiddels ex-werkgever. In april 2021 sluiten zij een vaststellingsovereenkomst, waarin zij overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In mei 2021 meldt de man zich ziek. Vanaf dat moment ontvangt de man een ZW-uitkering tot mei 2023. In zijn aangifte 2022 geeft de man deze inkomsten aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur stelt de aanslag echter vast op basis van inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de man geen recht heeft op arbeidskorting.
De man maakt bezwaar. Volgens hem is er nog sprake van een dienstbetrekking. Hij voert aan dat een wettelijk ontslag niet kan ingaan tijdens een ziekteperiode. Tevens verwijst hij naar de loonspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven (2021-2023), waarin hij als 'werknemer' wordt aangeduid en waarop 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' staat vermeld. De inspecteur stelt dat de dienstbetrekking op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De ZW-uitkering wordt door de ex-werkgever als eigenrisicodrager uitgekeerd en niet in het kader van een lopende dienstbetrekking.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De dienstbetrekking is per 1 september 2021 beëindigd via de vaststellingsovereenkomst. De man heeft geen bewijs geleverd dat deze overeenkomst ongeldig of herroepen is. De vermeldingen op de loonspecificaties en jaaropgaven, zoals 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' of 'werknemer', zijn niet doorslaggevend. De loonspecificatie vermeldt namelijk ook de functie 'ZW-uitkeringsgerechtigde'. De ex-werkgever ging uit van een dienstbetrekking tot 1 september 2021, maar niet daarna. De rechtbank merkt op dat de man bij herstel na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, aangezien de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Aangezien het hier niet gaat om een ZW-uitkering met een lopende dienstbetrekking, telt de uitkering niet mee als arbeidsinkomen. Hierdoor bestaat er geen recht op arbeidskorting.
Thomas R. Malthusstraat 1-3, 1066 JR Amsterdam
m.jairam@cijfermeester.nl
(06) 34 01 33 73
Prins Alexanderplein 8, 3067 GC Rotterdam
r.etman@cijfermeester.nl
(06) 52 41 09 08
Tauber 52, Den haag
s.passe@cijfermeester.nl
(070) 331 06 79
Kenauweg 14, 2331 BB LeidenÂ
f.brokaar@cijfermeester
(06) 15 01 69 87
Jan Tooropstraat 64, Ommen
r.hartholt@cijfermeester.nl
(06) 42 15 45 12
Leeuwarden, Nederland
a.wijgman@cijfermeester.nl
(058) 843 08 81
Deken van Baarstraat 4b, Nieuwkuijk
h.jonkers@cijfermeester.nl
(06) 10 90 99 61
Amersfoort
a.degraaf@cijfermeester.nl
(06) 41 21 43 19
Dinxperlo, Nederland
m.melten@cijfermeester.nl
(06) 51 49 33 80
Wassenaar, Nederland
r.engelhard@cijfermeester.nl
(06) 41 51 71 31
Heilesakker 6, 5325 KM Wellseind
a.maas@cijfermeester.nl
(06) 44 94 65 04
Rosmalen, Nederland
g.staring@cijfermeester.nl
(06) 34 12 97 06
Krabbescheer 28, 2481 CK Woubrugge
s.kliffen@cijfermeester.nl
(06) 26 93 37 92
Zaagmolenlaan 4 3447 GS Woerden
p.brokke@cijfermeester.nl
(06) 34 60 19 73
Overschieseweg 12 E, 3044 EE Rotterdam
j.wulffraat@cijfermeester.nl
(06) 24 10 95 93
Topaasring 25, 5629 GD Eindhoven
c.jansen@cijfermeester.nl
(06) 42 34 16 17
Bergstraat 27, 4261 BW Wijk en Aalburg
r.duizer@cijfermeester.nl
(06) 12 29 96 55
Willem Molenbroekplein 74, 3071 MK Rotterdam
m.sikkema@cijfermeester.nl
(06) 28 33 23 83
Zilverweg 6 8445 PE Heerenveen
j.danes@cijfermeester.nl
(06) 22 40 50 93
Praam 61, Haulerwijk
g.meulenbelt@cijfermeester.nl
(06) 22 54 84 43
Tauber 52, Den haag
c.vandenhurk@cijfermeester.nl
(070) 331 06 79
Gastelseweg 84, 4705 AC Roosendaal
a.smeekes@cijfermeester.nl
(06) 28 27 34 94
Dronten, Nederland
w.voortman@cijfermeester.nl
(06) 45 90 53 86
Heeswijk-Dinther, Nederland
m.devisser@cijfermeester.nl
(06) 17 88 58 64
Ootmarsumsestraat 319 7603 AG Almelo
m.grooten@cijfermeester.nl
(06) 10 54 64 55
Wieringerwerf., Nederland
w.vanheusden@cijfermeester.nl
(06) 42 08 45 99
Nijkerk, Nederland
m.schuurman@cijfermeester.nl
(088) 2683531
Luxemburgpromenade 2, 3541 DC Utrecht
c.velthuis@cijfermeester.nl
(030) 249 66 06
Pontsteiger 61, 1014ZP Amsterdam
p.haring@cijfermeester.nl
(06) 53 70 86 28
Robijnstraat 7 1812 RB Alkmaar
r.weel@cijfermeester.nl
(06) 19 09 34 54
Lesturgeonplein 5 8381 BX Vledder
i.renier@cijfermeester.nl
(06) 44 40 12 01
Heerhugowaard, Nederland
a.vogel@cijfermeester.nl
(06) 48 62 13 58
Industrieweg 96 7903 AK Hoogeveen
a.dekker@cijfermeester.nl
(088) 268 35 75
Lingedijk 57, 4155 BC Gellicum
l.hoogheid@cijfermeester.nl
(06) 51 55 75 67
Jan Tooropstraat 64, Ommen
r.grutter@cijfermeester.nl
(06) 83 99 47 80
Zeereep 56, 2681 XH Monster
m.westveer@cijfermeester.nl
(06) 55 50 37 74
Koenderinklanden 31, 7542 WC Enschede
a.jensma@cijfermeester.nl
(06) 44 06 36 94
Borger, Nederland
J.ijlenhave@cijfermeester.nl
(06) 28 94 23 13
Naxos 5 2134 AM Hoofddorp
a.vankouwen@cijfermeester.nl
(06) 55 82 05 56
Veilingstraat 30 7391 GM Twello
w.overeem@cijfermeester.nl
(06) 25 04 71 86
Diepstraat 16 6101 AT Echt
h.denis@cijfermeester.nl
(06) 50 69 40 16
Nanningh Keyserstraat 24, 4254 EP Sleeuwijk
h.vossestein@cijfermeester.nl
(06) 21 91 21 54
Nieuwegein, Nederland
m.sookha@cijfermeester.nl
(06) 15 51 86 06
Gorredijk, Nederland
h.aling@cijfermeester.nl
(0513) 46 35 99
Tilburg, Nederland
e.debruijne@cijfermeester.nl
(06) 23 38 87 06
Kloosterkade 33, 2628 HV Delft
j.vanmerrienboer@cijfermeester.nl
(06) 52 45 87 89
Waddinxveen, Nederland
r.vandenberg@cijfermeester.nl
(06) 19 04 09 12
Fazantstraat 17, 4901 AZ Oosterhout, Nederland
k.vanvessem@cijfermeester.nl
(06) 14 67 85 30
W.M. Dudokweg 53, 1703 DA Heerhugowaard
m.vanderlinden@cijfermeester.nl
(06) 82 80 04 00
Arnhemseweg 10, Renswoude
b.melenhorst@cijfermeester.nl
(0318) 57 64 63
Voorschoten, Nederland
m.berg@cijfermeester.nl
(06) 18718727
Wassenaar, Nederland
s.schravenhoff@cijfermeester.nl
(06) 24326961
Industrieweg 96, 7903 AK Hoogeveen
n.dekker@cijfermeester.nl
(088) 268 35 75
Putten, Nederland
s.vanderburg@cijfermeester.nl
(06) 22 47 78 55
Overslagweg 3a, 2645 EK Delfgauw
d.vandenbos@cijfermeester.nl
(06) 38 85 51 26
Groef 24, 1628 HL Hoorn, Nederland
s.keus@cijfermeester.nl
(06) 10 24 00 97
Heythuysen, Nederland
l.boonen@cijfermeester.nl
(06) 81 94 77 77
Oud-Beijerland, Nederland
h.stolk@cijfermeester.nl
(06) 24 21 35 56
Wij zorgen dat jij 100% kunt focussen op ondernemen.