Box 3-heffing ook in 2012 en 2013 niet in strijd met art. 1 EP

Hof Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat er bij de vermogensrendementsheffing sprake is van een buitensporige last. X maakt namelijk niet aannemelijk dat het door de wetgever voor langere tijd veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is.

X brengt de inspecteur er in 2013 van op de hoogte dat zij over buitenlands vermogen beschikt, dat zij niet in haar IB-aangiften heeft verantwoord. Naar aanleiding van de inkeerverklaring, en de nader verstrekte gegevens, legt de inspecteur IB-navorderingsaanslagen op aan X. X maakt bezwaar en stelt daarbij onder andere dat de box 3-heffing in strijd is met art. 1 EP bij het EVRM. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de box 3-heffing niet in strijd is met art. 1 EP. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016, nr. 14/05020 (V-N 2016/31.12, TaxVisions editie 17 juni 2016).

Oordeel het hof

Hof Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat er bij de vermogensrendementsheffing sprake is van een buitensporige last. X maakt namelijk niet aannemelijk dat het door de wetgever voor langere tijd veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is. Volgens het hof is dan niet voldaan aan de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 3 april 2015, nr. 13/04247 (V-N 2015/19.13). Ook maakt X ten aanzien van haar eigen situatie niet aannemelijk dat de vermogensrendementsheffing voor haar een, in vergelijking met andere belastingplichtigen, buitensporige last vormt. Het hof overweegt daarbij dat de door X verstrekte gegevens geen inzicht geven in het behaalde rendement over een reeks van jaren, omdat de stortingen en afboekingen en aankopen niet zichtbaar zijn gemaakt in de verstrekte overzichten. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

CijferMeester box 3